Wat een capo precies doet
Een capo is een klem die je op de hals van je gitaar zet, meestal vlak achter een fret. Daarmee verkort je effectief de snaarlengte en wordt de toonhoogte van alle snaren in één keer verhoogd. Je verandert dus de klank en de toonsoort, maar je grijpt nog steeds dezelfde akkoordvormen met je hand. Dit maakt het makkelijker om liedjes in een andere toonsoort te spelen zonder dat je nieuwe akkoordgrepen hoeft te leren.
Waarom gitaristen een capo gebruiken
Gitaristen gebruiken een capo om mee te zingen in een comfortabelere hoogte, om open akkoorden met veel resonantie te gebruiken in moeilijke toonsoorten en om bepaalde klankkleuren te krijgen die je zonder capo minder makkelijk maakt. Denk aan het verschil tussen een G akkoord als open akkoord of als barré hoger op de hals. Met een capo kun je die open klank meenemen naar een hogere positie.
Hoe je een capo correct plaatst
Je plaatst de capo altijd zo dicht mogelijk achter een fret, zonder er bovenop te zitten. Knijp de hals niet te hard af, want dan kan je gitaar vals gaan klinken. Te los is ook niet goed, want dan gaan snaren rammelen. Controleer na het plaatsen of alle snaren zuiver klinken. Zo nodig verschuif je de capo een paar millimeter of stel je de spanning bij als je een verstelbaar model hebt.
Positie van de capo en speelgevoel
Hoe hoger je de capo zet, hoe korter de snaar wordt en hoe strakker en lichter het gevoel onder je vingers. Ook verandert de klank: dichter bij de kam klinkt je gitaar vol en warm, verder omhoog wordt het geluid helderder en dunner. Dit kun je creatief gebruiken om bijvoorbeeld een tweede gitaarpartij boven een bestaande opname te leggen met een andere klankkleur.
Wat er verandert aan je akkoorden
Met een capo verplaats je in feite de open stand van de gitaar. De akkoordvorm die je speelt blijft hetzelfde, maar de werkelijke akkoorden die klinken schuiven omhoog. Zet je de capo bijvoorbeeld op de tweede fret en speel je een open C akkoordvorm, dan klinkt er feitelijk een D akkoord. De vorm heet nog steeds C, maar het resultaat is een D.
Voorbeeld van akkoordverschuivingen
Stel dat je zonder capo de akkoorden G, C en D speelt. Zet je de capo op de derde fret en speel je dezelfde vormen G, C en D, dan hoor je in werkelijkheid Bb, Eb en F. De regel is dat je per fret een halve toon omhoog gaat. Dit betekent dat je met een capo toonsoorten kunt veranderen terwijl je vertrouwde vormen als C, G, D, Em en Am blijft gebruiken, wat vooral handig is bij het begeleiden van zangers.
Capo gebruiken in combinatie met akkoordenschema's
Als je een schema vindt met akkoorden in een lastige toonsoort, kun je het herschrijven naar eenvoudigere vormen en daar een capo bij kiezen. Speel je bijvoorbeeld liever in G maar staat het nummer in A, dan kun je de capo op de tweede fret zetten en gewoon in G vorm spelen. Op die manier hou je het spelen overzichtelijk, behoud je de open akkoorden en blijft het nummer in de gewenste toonsoort klinken.
Capo en theorie combineren in je oefening
Een goede oefening is om bij elk liedje bewust op te schrijven welke akkoordvorm je grijpt en welk akkoord er werkelijk klinkt. Zo leer je snel welke verschuiving per fret plaatsvindt en ga je beter begrijpen hoe toonsoorten, barréakkoorden en capo gebruik samenhangen. Dit maakt je flexibeler als begeleider en helpt je om snel een passende capo positie te kiezen tijdens repetities of optredens.